De opmars van de overbruggingsfinanciering laat zien dat de woningmarkt, ondanks een lichte verruiming van het koopaanbod (NVM kwartaalbericht Q1 2026), voor veel kopers nog altijd krap is. Doorstromers wachten steeds minder vaak op de verkoop van hun huidige woning, maar kopen eerst hun volgende huis.
Voor veel kopers blijft eerst verkopen de veiligste route. Dan is duidelijk wat de woning daadwerkelijk opbrengt en ontstaat er geen periode met dubbele woonlasten. In de huidige markt is die volgorde echter niet altijd haalbaar. Wie eerst wil verkopen, loopt het risico daarna geen passende woning te vinden. Daarmee hoort overbruggen inmiddels bij dezelfde marktdruk als overbieden of kopen zonder financieringsvoorbehoud.
Geldverstrekkers bewegen mee met deze nieuwe werkelijkheid. Bij nieuwbouw loopt de maximale duur van overbruggingsfinancieringen steeds vaker op richting drie jaar, mede door langere bouwtermijnen. Ook de maximale verstrekking stijgt bij sommige aanbieders naar 95% tot 98% van de verwachte verkoopwaarde van de huidige woning. Daarnaast zijn veel geldverstrekkers de afgelopen jaren afgestapt van variabele overbruggingsrentes en bieden zij vaker een vaste rente voor één of twee jaar. Dat geeft kopers meer zekerheid over hun tijdelijke woonlasten. De laagste overbruggingsrente ligt momenteel rond 3,9%, de hoogste rond 4,9%. Dat is beduidend lager dan twee jaar geleden, toen de grens van 6% werd gepasseerd.
